|
Rechtbank Den Haag: poker is geen bewezen kansspel
04-07-2010
by Jaap J.M. Vos
Of het een ommekeer zal worden in het spelen van poker in Nederland, moet worden afgewacht, maar de rechtbank in Den Haag heeft vrijdag een uitermate opvallende uitspraak gedaan in een zaak tegen een Haagse organisator van een pokerspel in december 2006. De rechtbank ging daarmee voorbij aan een uitspraak van de Hoge Raad in 1998. Dat geeft stof tot nadenken voor justitie…
Het leek een kansloze zaak voor de Haagse ondernemer. Het ministerie van Justitie heeft in haar kansspelbeleid bepaald dat poker een kansspel is en daarom onder de huidige kansspelwetgeving valt. De Hoge Raad heeft de definitie van poker als kansspel in 1998 nog eens bevestigd. Het gevolg: het organiseren van poker om geldprijzen is uitsluitend voorbehouden aan Holland Casino. De verdediging echter stelde dat inmiddels andere inzichten bestaan over het pokerspel. Weliswaar wordt door veel landen poker als kansspel gezien, maar daar is geen enkele wetenschappelijke onderbouwing voor. Voor het tegendeel echter wel en om dat te staven werd met een vorig jaar afgerond onderzoek gezwaaid, dat aan de Universiteit van Tilburg plaatsvond*. Wat elke pokerspeler, prof of amateur, al lang weet is dat bij poker weliswaar enige geluk komt kijken, maar dat het wel degelijk ook een spel is, waarbij tactiek, inzicht en kansberekening om de hoek komen kijken. Onderzoeken rondom poker, zo als aan de UvT, zijn overigens ook al in andere landen gedaan, onder andere in Engeland, met dezelfde conclusie.
Justitie kwam daarop met een eerder onderzoek, waaruit zou blijken dat poker wel degelijk een kansspel is, maar dat onderzoek laat volgens de rechtbank te veel ruimte voor subjectieve waarneming en werd als bewijsmateriaal ter zijde geschoven. De rechtbank oordeelde vervolgens dat de organisator van het pokerspel de wet op de Kansspelen niet had overtreden en werd vrijgesproken. En nu?
Het vervolg is natuurlijk allereerst voer voor juristen. Er lopen zaken in Nederland, waarbij professionele pokerspelers proberen te worden beoordeeld als gewone zelfstandige ondernemers, waarbij inkomsten en gemaakte kosten met elkaar kunnen worden verrekend, alvorens het bedrag voor de inkomstenbelasting vast te stellen. De uitspraak van de Haagse rechtbank geeft daar nu een extra lading aan, nu een sterk argument is aan te voeren dat als poker geen kansspel is in de zin van de wet op de Kansspelen, er dus ook geen kansspelbelasting over kan worden geïnd. De politiek leek het afgelopen jaar al bereid om het pokerspel meer ruimte te geven en de uitspraak van de rechtbank lijkt dat voornemen te rechtvaardigen.
Maar er is meer. Als het pokerspel in Nederland niet langer aangemerkt zou kunnen worden als kansspel, dan kunnen vrijelijk pokertoernooien georganiseerd gaan worden, ook op het internet. Er is geen verbod meer mogelijk op grond van de wet op de Kansspelen, tenzij in hoger beroep justitie alsnog haar gelijk haalt. Als het organiseren van poker zowel aan land als op internet vrijuit mogelijk is, dan kan de overheid ook niet eisen van de banken dat zij transacties tussen pokerspelers en buitenlandse pokeraanbieders op internet onmogelijk gaat maken. Er ontstaat dan een zeer verwarrende situatie voor de banken en andere financiële dienstverleners. Wie moet nu eigenlijk het onderscheid gaan maken? De banken zijn al helemaal niet happig op het idee en hebben nu een argument om het te (blijven) weigeren: er valt voor hen geen onderscheid te maken tussen welke aanbieder als legaal en welke als illegaal moet worden aangemerkt. Justitie heeft een lijstje liggen, waarop ongetwijfeld de namen van de grote pokerrooms als Full Tilt en PokerStars genoteerd zijn. Dat lijstje is dus niet meer hanteerbaar. Nogmaals, het is een beetje vroeg om de vlag uit te steken in Nederland pokerland, maar de pokerspelers en spelaanbieders hebben nu een uitspraak van een Nederlandse rechtbank in handen waarmee ze een heel stuk opgewekter voor de muziek kunnen gaan uitlopen. Het is uiteindelijk aan de beleidsbepalers in Den Haag om het concertstuk van de Haagse ondernemer definitief tot de theaters toe te laten.
*Het onderzoek werd gedaan onder leiding van Prof. Dr. Ben van der Genugten, destijds hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening en mathematische statistiek aan de Universiteit van Tilburg. Hij pleitte bij de presentatie ervan dat de uitspraak van de Hoge Raad uit 1998 moet worden herzien op grond van nieuw verkregen en wetenschappelijk onderbouwde inzichten.
De uitspraak van de rechtbank werd gedaan op vrijdag 3 juli. Het zal een aantal dagen duren voor de volledige uitspraak gepubliceerd zal zijn. Auteur dezes houdt dat in het oog en zal na de officiële publicatie waar nodig nog aanvullend commentaar geven. In elk geval zal de tekst van de publicatie dan voor alle geïnteresseerden toegankelijk zijn.
‘Pokeruitspraak’ van Haagse rechtbank in aantal opzichten opvallend
07-07-2010
by Jaap J.M. Vos
Op 2 juli deed de Haagse rechtbank uitspraak in een zaak, die justitie had aangespannen tegen een Hagenaar die een pokertoernooi had georganiseerd en daarmee de Wet op de Kansspelen (WOK) overtreden zou hebben. Bij nadere bestudering van de uitspraak zijn er nog een aantal opvallende kanttekeningen te maken. Kansspel of behendigheidsspel, that’s the question!
In mijn artikel van 4 juli* ben ik al ingegaan op wat de uitspraak zou kunnen losmaken in het Nederlandse landschap van de kansspelen, maar ik had ook beloofd de uitspraak voor de geïnteresseerde lezers nog uit te pluizen en daarop terug te komen en bij deze wordt die belofte ingelost. De verdediging was ter hand genomen door de bekende strafpleiter J.P. (Peter) Plasman. Het hele proces draaide om het feit of poker gezien moest worden als een kansspel in de zin van de Wet op de Kansspelen of als een behendigheidsspel, dat buiten het bereik van deze wet zou liggen. Ik zal zo veel mogelijk proberen de juristentaal te vermijden om het voor de lezers draaglijk en leesbaar te houden. Waar dat niet helemaal lukt moet u me dan maar niet kwalijk nemen.
Goed, justitie dacht een zeer heldere zaak te hebben, omdat de man volgens het proces verbaal een pokertoernooi had georganiseerd in een gokpand, dat op het moment van de inval in volledig bedrijf was. Het bleek te gaan om een gehuurd zaaltje met een mogelijkheid om wat te eten en te drinken. De deelnemers kenden elkaar voor een deel en voor een deel waren het wat genodigden geweest, een redelijk gesloten circuit dus. De inleg had €15,- per persoon bedragen. De verdachte heeft geen moment ontkend dat het een min of meer open organisatie betrof. De wetgever legt dat uit als ‘gelegenheid geven aan’ en dat was hier het geval. De rechter vond echter dat de omschrijving ‘volledig in bedrijf zijnd gokpand’ zeer subjectief was, gebaseerd op grond van de waarneming van de politieagenten en niet gebaseerd op onderzoek. Dit was op de uitspraak verder niet van invloed.
De officier van justitie verwees in de tenlastelegging naar de wet zelf, een arrest van de Hoge Raad in 1998, een aantal brieven van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer, een onderzoek van het College van toezicht op de kansspelen, en nog wat losse notities van internet o.a. over rechterlijke uitspraken elders in de wereld, met name de Verenigde Staten. De verdediging stelde dat in de wet staat dat een kansspel een spel is, waarbij de deelnemers geen overwegende invloed op de uitkomst van het spel kunnen uitoefenen. Bij de gespeelde pokervariant Texas Hold’em zou dat niet het geval zijn. Beide partijen brachten een onderzoek in van prof. Dr. Ben van der Genugten van de Universiteit van Tilburg. Advocaat Plasman stelde tenslotte dat de behoefte van de Staat om het pokerspel in zijn greep te houden voortkwam vooral was om verslaving en witwaspraktijken te voorkomen. Hij suggereerde dat het pokerspel niet langer was te reguleren op basis van de WOK, maar wellicht als een apart spel zou kunnen worden gereguleerd, daarmee gelijk maar op de stoel van de wetgever gaan zittend.
De rechter besteedde veel aandacht aan de verschillende onderzoeken, die gedaan zijn. De twee leidende documenten daarbij waren van W.A. Wagenaar en dat van Ben van Genugten. De rechter oordeelde dat het onderzoek van Wagenaar veel te subjectief was en in feite elke uitkomst kon geven, die je maar zou willen. Van Genugten daarentegen heeft een model geschapen, waarbij je een factor kunt bepalen, die aan een bepaald spel moet worden toegekend voor de behendigheid. Die factor ligt tussen 0 en 1, waarbij 0 een absoluut kansspel is en 1 een absolute behendigheidssport (je zou als voorbeeld kunnen stellen dat roulette praktisch 0 is en schaken praktisch 1 -JJMV). Om als een kansspel in de zin van de Wet op de Kansspelen te kunnen worden aangemerkt zou er sprake moeten zijn van een factor 0 tot 0,3. Texas Hold’ em ligt daarboven en valt daarmee buiten de kansspeldefinitie, aldus Van Genugten. Hoeveel hoger dan? Dat hangt mede af van de beleving van de spelers, van de aard en structuur van het pokerevenement, zeg maar.
In toelichtingen aan de Tweede Kamer heeft de minister van Justitie volgens de Haagse rechtbank een aantal zaken door elkaar gehaald. Het is de Tweede Kamer destijds niet opgevallen, maar die zal daar vast nog wel op terugkomen. Zo heeft Hirsch-Ballin in een brief aan de Tweede Kamer het volgende gesteld: “Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor de vraag of een spel een kansspel of een behendigheidsspel is, bepalend of het resultaat dat de grote meerderheid der spelers in de praktijk bij het spel behaalt van toeval afhangt. In een in 1998 gewezen arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat poker dient te worden aangemerkt als een kansspel.” De rechtbank stelt echter dat de minister de boel door elkaar haalt. Het ‘vaste arrest’ waar hij op doelt is het zogeheten Saturne-arrest uit 1965, waar voor het eerst de definitie opduikt dat een kansspel een spel is waar de deelnemers geen overwegende invloed op uitoefenen. Als de Hoge Raad in 1998 deze definitie zou hebben gevolgd, zou de uitspraak anders zijn geweest. De Hoge Raad heeft zich dus blijkbaar niet gebaseerd op het ‘vaste arrest’ uit 1965. De minister zit hier fout. Maar het wordt op dit punt nog erger als de rechtbank stelt dat het arrest uit 1998 ruimte laat voor andere opvattingen, bijvoorbeeld op basis van verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen over de wijze waarop het spel is georganiseerd.
En de minister zit ook fout door te stellen dat in 35 landen in Europa poker bij wet als een kansspel is gedefinieerd, wat zou blijken uit een onderzoek van het College van Toezicht op de kansspelen. De rechtbank merkt fijntjes op dat hier enige nuancering op z’n plaats is omdat het een enquête betrof onder collega-toezichthouders, waaruit deze conclusie is getrokken. Maar de rechtbank stelt, dat de mate waarin de opvatting dat poker een kansspel is wordt gedragen, niet het bewijs levert van de juistheid van die opvatting.
De rechtbank spreekt dus indirect van een soort historische dwaling. Er wordt weliswaar links en rechts driftig volgehouden dat poker een kansspel is, maar het wordt nergens overtuigend bewezen. De enige onderzoeken, die wel als wetenschappelijk bewijsmateriaal kunnen worden toegelaten, stellen juist het tegendeel.
Er volgt een hoger beroep, maar als de officier dat gaat voeren op basis van de arresten van de Hoge Raad uit 1965 en 1998 staat dit hoger beroep niet erg sterk. Wat me opviel in de verdediging was het ontbreken van het argument dat poker als denksport is erkend door de International Mind Sports Association. Dat werd in mei van dit jaar bekend. Er zijn nog heel wat handen te schudden (pokerwoordspeling) maar het moet toch mogelijk zijn om op nationaal niveau een aanvaardbare regeling voor het poker te treffen, ook belastingtechnisch gezien, zonder dat de rechtbanken er voortdurend aan te pas moeten komen.
We hadden graag de pdf van de uitspraak bij dit artikel gevoegd. Daar zitten echter rechten op, die we niet kunnen en willen schenden. De pdf is verkrijgbaar voor € 5,- op de website van Jure en kan uitsluitend met iDEAL betaald worden. De link naar de bewuste pagina is: http://jure.nl/bn0013.pdf
>> Meer poker nieuws
|